|
|
Een week op Savu
|
Ik ben net met
twintig andere passagiers en mijn fiets
in een vijf meter lange motorboot aan
land gebracht. De ferry, die mij keurig
in het haventje van Seba, het hoofdstadje
aan de noordkust van het eiland Savu
gelegen, zou afleveren, is niet in staat
de kleine haven binnen te varen vanwege
de hoge golven door de zware storm,
waarin wij ons de laatste uren tegen wil
en dank hebben begeven. Het schip zou
direct door de pier heen slaan en op het
strand gegooid worden. De golven zijn dan
ook huizenhoog. Vandaar dat de ferry
koers heeft gezet naar de zuidkust van
Savu om daar in de lijzijde van de storm
voor anker te gaan. Een groot koraalrif
hier maakt het onmogelijk dichter dan
twee kilometer bij de kust te komen,
zodat vanuit het strand diverse
motorbooteigenaren hun kans schoon zien
om in een dag rijk te worden. Zij
trotseren de ook hier nog hoge golven en
koersen naar de ferry. Daar pikken ze de
geheel ontredderde passagiers op.
Gelukkig staan er geen auto's op het dek.
Die zouden dan tot het gaan liggen van de
storm moeten wachten en dat kan nog wel
dagen duren.
Ieder heeft zo zijn eigen bagage bij
zich. Mijn grote tas waarin al mijn
bezittingen zitten en mijn fiets kunnen
nog wel eenvoudig naar beneden gelaten
worden om in het motorbootje een plaats
te vinden. Trossen levende kippen, enorme
balen rijst en maïs en de levende
hangbuikzwijnen leveren wat meer
problemen op. In Indonesië kan echter
alles, zodat ik met fiets en al tussen
twintig mensen en de geknevelde levende
have kom te zitten. Ik voel me als in een
sadomasochistische kinderboerderij. Wat
een dierenleed!
Als verzopen katten stappen de mensen een
kwartier later, doorweekt van het
opspattende zeewater de motorboot uit en
waden de laatste meters naar het
strandje. Ik zie sommigen het zand kussen
als dank voor het veilig aan land komen
na de verschrikkelijke storm van
vannacht. Ik heb er ook geen leuke
herinneringen aan. Zelf heb ik met een
reddingsvest aan in de passagiersruimte
op de grond gelegen. Zitten was er niet
meer bij. Lege colaflesjes schoten als
projectielen over de grond van links naar
rechts en terug als we weer de speelbal
waren van een hoge golf. Tijd om je ziek
te voelen was er niet. Je had andere
dingen aan je hoofd.
Daar staan we dan na een klein uur met
alle ferrypassagiers tezamen op het
kleine strand, hier aan de zuidkust van
Savu. Ik heb dan wel als enige mijn eigen
vervoermiddel bij me, maar het is nog
maar de vraag of ik die dertig kilometer
naar Seba zonder problemen zou kunnen
afleggen. De autochtonen waarschuwen me
voor de zeer slechte staat, waarin de weg
verkeert. Een grote, open vrachtwagen zal
diegenen, die verder wonen dan vijf
kilometer van dit strand naar huis
brengen. Gelukkig blijven er niet zoveel
mensen over.
Met zo'n 30 man, een fiets, 2 varkens,
een paar trossen kippen en heel veel
bagage waaronder complete aandrijfassen
van de vrachtwagen achter in de laadbak,
vertrekken we uiteindelijk. We moeten ons
aan elkaar vasthouden. Het lijkt alsof
wij nog niet uit de storm zijn. De
vrachtwagen schommelt bijna even veel als
de ferry op de golven! De weg is dan ook
bar slecht.Van asfalt is hier geen
sprake. De spaarzame trucks, die op het
eiland rijden hebben samen met de moesson
de weg totaal aan flarden gereden. Zijn
wij net niet met de boot omgeslagen, met
de auto was het bijna wel zo ver. We
weten gelukkig allen naar de goede kant
van de vrachtwagen over te hellen. Wat is
dit een ramp! Had ik op het strand toch
maar de stoute schoenen aangetrokken en
was ik toch maar per rijwiel naar Seba
gegaan. Ik had dan wel stukken moeten
lopen, maar zonder gevaar om geplet te
kunnen worden tussen een vrachtwagen en
Savunees grondgebied.
Na een enerverende maar eigenlijk
prachtige tocht komen we aan in Seba. De
autochtonen zoeken hun familie op. Ik sta
daar ziels alleen in de hoofdstraat van
Seba. Een halve kilometer lange straat,
waaraan aan beide kanten huisjes en
winkeltjes staan, loopt vanaf een
belangrijke kruising tot aan de haven. Ik
zie dan ook in de verte enorme hoge
golven op het strand en tegen de pier
beuken. Het waait hier hard en ik voel me
niet echt op mijn gemak. Hoe kom ik weer
veilig van dit eiland af? Volgens de mij
bekende gegevens is men verplicht
minstens een week hier te blijven. De
boot terug naar Sumba, waar ik net
vandaan kom en de boot naar Kupang op
Timor, de ander kant op, gaan eenmaal per
week op dezelfde dag en dat is vandaag.
Ik neem aan dat de boot uit Kupang naar
hier vanwege de storm niet eens
vertrokken is. Ik zie in de verte nergens
een ferry liggen. Wel zie ik een haag
mensen op het strand, die naar de enorme
rollers staan te kijken. Een deel van de
met stenen versterkte kade is
weggespoeld. Het moet vannacht ook hier
erg tekeer zijn gegaan. Straks zal ik
eens beter gaan kijken. Eerst moet ik
maar eens een slaapplaats zien te vinden.
Mijn fiets en de grote tas laat ik
tijdelijk in een kleine winkel achter en
ga lopend de straat door. Er is geen bord
te zien met het opschrift
"Hotel". Zelfs geen penginapan
of pondok, de meest eenvoudige
slaapgelegenheden in Indonesië, is hier
te vinden. Ik zal dan toch bij iemand
moeten aanbellen om te vragen of ik er
mag slapen. Ik ga terug naar mijn fiets
en vraag de winkeleigenaar om een
slaapplaats. Die heeft hij niet maar ik
moet maar eens bij zijn vriend Arman
vragen, het laatste huis links voor de
kruising.
Lopend naast mijn fiets kom ik aan bij de
familie Algadri. Arman staat buiten op de
stoep. Hij spreekt slechts drie woorden
Engels maar toch ik kan hem duidelijk
maken dat ik van plan ben hier een week
te blijven en dus onderdak zoek. Hij
verontschuldigt zich en vraagt mij hem te
volgen. We lopen naar een ander huis.
De vrouw des huizes vertelt Arman dat het
haar nu eigenlijk niet goed uitkomt. Zij
verwacht een aantal veldwerkers van de
regering. Waar blijft een slaapplaats
voor mij, schiet mij maar door het hoofd.
De vrouw, die waarschijnlijk de enige is,
die officieel een kamer aan een
vreemdeling mag verhuren, geeft bij het
bemerken van mijn zorgen ter plekke
toestemming aan Arman om mij te
huisvesten. Dat komt hem goed uit. Hij
kan wel een extra zakcent gebruiken. Hij
begeleidt mij weer naar zijn woning en
biedt mij nederig een lege kamer aan. Dat
vind ik al heel wat in deze negorij, want
het stelt hier allemaal niet veel
voor.Wat jonge knapen scheuren op hun
motorfiets de straat door maar de huizen
zijn trieste onderkomens van bamboe of
lelijk beton met een golfplaten dak erop.
Mijn lege kamer bewijst dit nog eens. Ik
accepteer mijn nachtelijk verblijf maar
moet ik op de grond slapen of is er
ergens in Seba een matras te vinden? Ik
hoef mij geen zorgen te maken. Een stoel
wordt voor mij klaar gezet, ik krijg een
glas koffie en ondertussen is Arman druk
bezig het de onverwachte gast zo
comfortabel mogelijk te maken.
Uit een woning aan de overkant wordt een
matras gehaald. Vanuit de enige
stroomdraad in het huisje wordt een
aftapping gemaakt en binnen een mum van
tijd heb ik een nog niet brandend peertje
in de nog enigszins lege ruimte. In de
deur van de kamer worden aan de binnen-
en buitenkant schroefogen gedraaid en een
hangslotje wordt bij de naastliggende
winkel geleend. Een prachtige ikat-doek
is door zijn vrouw uit de linnenkast
gehaald en wordt in de deuropening
gehangen, afgesloten voor het zicht maar
toch frisse lucht. In het halletje, waar
de kamer op uitkomt, staat intussen een
tafel met een thermosfles warm water, een
paar theebuiltjes, een paar zakjes koffie
en een glas vol suiker. "Bedient u
zichzelf, alstublieft. Ik haal zo wat
bananen en sinaasappelen. En voor eten
zorgen wij ook! U bent bij ons
"indekos".
Ik weet niet hoe ik moet reageren. Ik sta
verbaasd over deze actie van Arman en
zijn vrouw, die zich nu ook aan mij heeft
voorgesteld. Ik schat ze beiden rond de
35 jaar oud. Een klein ventje scharrelt
wat rond op een half stuk
speelgoedfietsje. Ik neem aan dat het hun
zoontje is. Er zijn ook twee jonge
meisjes in het huis, maar die zijn
"in dienst" bij de familie
Algadri. Die koken, wassen en doen dus
ook maar meteen de rest. Heel verlegen
geven ze me een hand omdat dat moet. Bij
elke nies staan ze voor me. Dat is iets
te veel van het goede. Ik ben geen
koloniaal!
Ik word gevraagd mijn fiets in mijn kamer
te zetten. Niet zozeer vanwege diefstal,
maar hun "kleine vent" is zijn
nieuwe wereld aan het ontdekken. Je weet
nooit wat hij van mijn fiets schroeft om
het aan zijn vader te laten zien. Er is
nog ruimte genoeg in mijn kamer. Er ligt
alleen een keurig opgemaakt matras op de
grond. Vanaf zes uur zal ik aan het
peertje moeten draaien om licht in mijn
onderkomen te krijgen. Een
snoerschakelaar is in Seba niet te
vinden. Het lijkt mij ook niet echt
nodig. Los- en vastdraaien van het lampje
gaat ook.
Alhoewel ik met deze hele actie zeer
content ben, vraag ik mij na een tijdje
af wat de heer Algadri mij zal vragen als
onkostenvergoeding voor deze luxe. Ik
loop op hem af, maak eerst duidelijk dat
ik dit alles zeer waardeer, maar dat hier
op het hele eiland Savu geen banken zijn,
waar ik even geld kan wisselen en dat ik
het minimaal een week moet kunnen
uithouden met de Indonesische Rupiah's,
die ik in mijn portemonnee heb. Dat lijkt
wel een heleboel, maar het heeft wat weg
van Monopolygeld. Tienduizend Rupiah
staat gelijk aan f7,50!En dat is nu
precies wat Arman mij per dag vraagt.
Zeven gulden vijftig per nacht. Ik heb
wel eens goedkoper geslapen, maar hier
zijn geen toeristen, dus de prijzen
liggen wat hoger. Een eigenlijk vreemde
manier van prijsbepaling.Waar veel
toeristen komen zijn de hotels goedkoop,
waar niemand komt liggen de prijzen
hoger. Geen concurrentie dus een
monopolie. Vandaar deze wat hogere prijs
dan ik gewend ben, maar veel is het
natuurlijk niet!
En hoeveel kost mij een maaltijd? Ik moet
toch minstens drie keer per dag eten als
ik hier op Savu een paar flinke
fietstochten wil gaan maken. "Maar
mijn beste reiziger, u bent toch in de
kost? Tienduizend Rupiah voor slapen,
drie maaltijden en naar behoefte koffie,
thee en fruit".Hiervan word ik even
stil. En ik maar denken dat hij de prijs
wat opgeschroefd heeft vanwege die ene
toerist per maand. Ik ben dus voor f7,50
volledig in de kost. Hoe is het mogelijk?
Ik begin nu langzamerhand te begrijpen
waarom een Indonesiër nooit rijk zal
worden. Tenminste, niet dit soort mensen.
Hij is duidelijk blij dat ik niet
protesteer en een andere kamerga zoeken.
Waarom zou ik ook?
Het is nu rond de klok van 2 uur en ik
heb dus nog een paar uur om de omgeving
te ontdekken voordat de duisternis
invalt. De schemering is hier kort zo
vlakbij de evenaar. De zon gaat hier
loodrecht naar beneden.Ik pak mijn fiets
en heb moeite met het afsluiten van mijn
kamer. Op mijn reis heb ik zelfs al vele
Indonesiërs beledigd door mijn fiets op
slot te zetten. Dat geeft blijk van het
niet vertrouwen van de mensen om je heen.
Ik kan toch mijn kamer bij deze mensen in
hun huis niet gaan afsluiten? Ik doe de
deur dan ook niet op slot maar hang het
slotje los over de schroefogen. Arman
heeft ze er toch niet voor niets
ingedraaid?
Ik rijd eerst rustig de grote straat uit.
Er wordt geroepen, gezwaaid, gegroet,
geschreeuwd en getoeterd. Elke vorm van
groeten wordt gebruikt om de vreemdeling
welkom te heten op dit kleine eiland
Savu. De mensen kijken hun ogen uit! Wat
komt hij hier doen? Wie interesseert zich
nu in de cultuur van Savu? Of is hij
tegen zijn zin op dit eiland gedropt en
zal dus een week moeten wachten voordat
hij er weer af mag? Ik laat ze denken.
Onder grote aandacht sta ik naar de
enorme rollers te kijken, die met veel
kabaal op het strand uit elkaar spatten.
Hoe is het mogelijk dat ik de tocht op de
ferry heb overleefd? De mensen, die eerst
uitgebreid naar de zee staarden, kijken
mij nu met verbaasde gezichten aan. Ik
ben zo te zien interessanter dan de
huizenhoge golven in zee. Het zeewater
slaat over de hier gebouwde pier. Niemand
waagt zich op de aanlegsteiger. Er is,
zover mijn oog reikt, geen scheepje in
het water te zien. De vissers hebben
wijselijk hun vaartuigen ver het strand
opgetrokken. En toch doet de zee pogingen
om ze mee te nemen. De eerst volgende
dagen zal het nog wel blijven spoken. Ik
hoop dat de storm over een week tot
bedaren is gekomen. Een week bij Arman en
zijn familie is leuk, maar twee weken
lijkt wat veel op dit kleine eilandje. Ik
schat het 25 km. lang en 20 km. breed.
Volgens mijn boek wordt het bewoond door
zo'n 50.000 inwoners. Ik ben benieuwd of
ik ze allemaal binnen een week zal
tegenkomen. Savu, in de volksmond Sabu
genoemd, wordt nauwelijks door toeristen
bezocht. De slechte en gevaarlijke
verbindingen met het eiland zijn daar
natuurlijk debet aan. Wat valt er
eigenlijk te zoeken op Savu? De meeste
inwoners zijn christelijk, er is geen
bijzondere natuur, er bestaat geen
speciale huizenbouwvorm om maar te
zwijgen over marapu en monolieten zoals
op het eiland Sumba. Vulkanen zijn er
niet, prachtige stranden zal je er
nauwelijks aantreffen en er is praktisch
geen openbaar vervoer. Lopen of de
motorfiets is gedurende de meeste maanden
de enige vorm van transport vanwege de
regens en het daardoor verruïneerde
wegennet. Bruggen worden met de regelmaat
van de klok weggeslagen, zoals ik later
zelf zal ontdekken en overnachten op het
eiland is wat problematisch. Ik ben dan
ook een week lang de enige
niet-autochtoon. Precies wat ik zoek,
maar niet altijd eenvoudig. Je bent
volledig overgeleverd aan de plaatselijke
bevolking en het Bahasa Indonesia mag dan
wel een verplicht vak zijn op school,
waarom zou je dat gebruiken als iedereen
om je heen de plaatselijke taal spreekt?
Ik sta dan ook regelmatig met de mond vol
tanden. Mijn beperkte beheersing van deze
taal is hier nauwelijks van nut.
Mijn eerste nacht hier in Seba verloopt
minder goed dan ik hoopte. De slechte
ervaringen van de vorige nacht op de
ferry spelen mij parten. Ik sla vijf keer
om met de boot en verdrink twee maal zo
vaak. Ik zie mijn fiets in de bodemloze
Savu-zee verdwijnen, ik zie vissen
verbaasd naar de drenkelingen kijken en
ik hoor vastgebonden varkens huilen. Ik
snak vaak naar adem in mijn bed, dat
danst op de zee. Het is een rampzalige
nacht!
Het is dan ook niet vreemd dat ik bij het
wakker worden de volgende morgen een niet
al te best humeur heb.Alhoewel ik mij
realiseer dat ik veilig in het, van de
buren aan de overkant geleende bed lig en
dat Arman en zijn vrouw het beste met mij
voor hebben, zij weten natuurlijk van de
storm, waarin ik verzeild geraakt ben
geweest, sta ik te trillen op mijn benen
als ik rond een uur of zeven opsta. Mijn
ochtendkoffie hoef ik niet zelf te maken.
Eén van de meisjes heeft het al voor mij
klaar gezet, evenals mijn uitgebreide
ontbijt. De rijst, de mie en de gedroogde
vis kan ik nauwelijks door mijn keel
krijgen. Daarvoor is begrip. Een kop nog
sterkere koffie brengt mij na een uur
weer bij de levenden. Wat kan een nare
ervaring toch een invloed hebben op een
mens. Het wordt hoog tijd dat de goede
ervaringen hier op het eiland de
boventoon gaan voeren. Daarvoor moet ik
mijn fiets pakken en er op uit trekken.
Mijn praktisch onaangeroerde ontbijt
wordt door de familie in een bananenblad
verpakt voor onderweg. Ik neem mijn
kleine kooktoestelletje, water, een paar
sachets koffie en een wat builtjes thee
mee. Ook vergeet ik niet mijn
bandenreparatieset. Je kan nooit weten
hier op de slechte wegen op Savu. Ik ken
al een weg van ruim 30 km. die niet te
doen was voor een vrachtwagen. Hoe zou
het met de andere wegen zijn? Ik heb er
een hard hoofd in. Maar met de fiets en
weinig bagage kom je over het algemeen
een heel eind. Ik neem toch maar een
kleine dagrugzak in mijn fietstasjes mee
voor het geval ik terug naar huis moet
lopen.
Ik word door de familie Algadri
uitgezwaaid. De weg het dorp uit is eerst
nog redelijk maar al snel is er weinig
meer van over. Ik kom dan ook niet snel
vooruit. Maar waarom zou ik? Het is hier
prachtig mooi! Dichtbij het dorp ligt een
vlakte, waar rijstveldjes te vinden zijn.
Ik neem aan dat de boer, die van zijn
werk opkijkt, al een paar uur geleden
begonnen is met de dagelijkse controle
van zijn plantage. Ik vraag mij af waarom
rijst eigenlijk zo goedkoop is. Een enorm
bewerkelijk procédé moet aan het
oogsten van een hand vol rijstkorrels
vooraf gaan. Maar van deze kleine veldjes
kunnen die 50.000 Savunezen toch niet
leven? Daarvoor is er de lontarpalm.
De lontarpalm is een palmsoort, die een
grote rol speelt in het leven van de
Savunees. De "Borassus
Sundaicus" gedijt goed in een droog
klimaat en wordt zo'n dertig meter hoog.
Wat deze palmsoort allemaal niet
voortbrengt is ongelofelijk. Uit het
afgeknepen gedeelte van de bloeiwijze van
de palm stroomt een sap, dat tuak genoemd
wordt, palmwijn. Elke keer als de stroom
ophoudt, wordt een stukje verder
afgeknepen. Zo kan men twee maal per dag
de tuak "oogsten", een kleine
drie liter per dag en dat gedurende het
vijf maanden durende seizoen voor de
eerstvolgende dertig jaar! Het sap is
heel goed te drinken, zeker na de
fermentatie. Het overschot wordt
ingekookt en gaat over in een
karamelsiroop. Dit is in schaarse tijden
het volksvoedsel. Sommige bomen laat men
tot bloei komen want de vruchten zijn
eetbaar.
Ook het blad wordt gebruikt. Men maakt er
kleine en grote manden van, gieters voor
op het land, emmers, muren van hutten en
zelfs muziekinstrumenten, de sasando. De
stam van de boom is goed als
bouwmateriaal voor huizen en van de
bladnerven maakt men schuttingen. Heel
dun gesneden lontarblad wordt zelfs
gebruikt als vloeitje voor hun
zelfgedraaide sigaret! Kokospalm en
bamboe mogen dan wel tot de nuttigste
boomsoorten behoren, er gaat niets boven
de lontar. Hele volksstammen zijn er van
afhankelijk! Hongersnood bestaat niet op
Savu dankzij deze palmsoort. Een gave
Gods!
Niet ver voorbij de rijstveldjes zie ik
een lontarpalmbos. De bomen staan ver uit
elkaar, de kronen hoog in de hemel. De
onderkant van de stam heeft nog de resten
van de oude bladaanhechtingen maar de
rest van de stam is kaal en glad.Aan de
voet van zo'n wonderboom staat een oude
man. Over zijn schouder draagt hij een
liaan met een lontarblad-container. Hij
is wat laat met de oogst vandaag maar ik
heb daarentegen geluk om dit schouwspel
te kunnen zien. De man klimt zonder zich
te bezeren over de aanhechtingen heen en
ik vraag mij af hoe hij daarna verder
omhoog komt. Hij blijkt zijn benen enorm
hoog te kunnen heffen en zet zijn blote
voeten in kleine kuiltjes in de stam. Elk
kuiltje is minstens een meter verder dan
de vorige. Ongeveer in het midden van de
stam houden de kuiltjes op. Hij is nu al
zo'n 15 meter van de grond. Ik zal mijn
grote telelens op mijn camera moeten
schroeven. Met behulp van mijn
zoomobjectief zie ik dat vanaf de helft
met lianen kleine stenen aan de stam
bevestigd zijn. Hierop zet de tuak-tapper
zijn voeten, die hij gebruikt alsof het
handen zijn. Zijn grote tenen zijn bijna
opponeerbaar. Ik heb al eens eerder in
Indonesië mensen met hun tenen gevallen
bankbiljetten zien oprapen. Hoe is het
mogelijk!
Eindelijk boven verdwijnt de oude man in
het gebladerte maar ik zie hem nog wel
zijn houten tang uit de broekriem halen
om de bloeiwijze opnieuw te kneuzen na
het verwisselen van het
lontarcontainertje. Met een bakje vol
tuak komt hij na een tijdje weer naar
beneden.Zeer behendig en zonder enige
twijfel in zijn bewegingen staat hij na
een paar minuten voor mij. Ik sta hem vol
bewondering aan te kijken. Natuurlijk
moet ik van hem het lontarsap proeven.
Een paar slokken zijn niet genoeg volgens
hem. Hij ziet mijn waterflessen in de
bidonhouders en vraagt of hij ze zal
vullen. Ik gooi mijn flessen leeg en laat
ze met dit lichtalcoholisch drankje
volmaken. Misschien doet het mij goed na
zo'n slechte nacht.Nadat hij mijn bel
heeft uitgeprobeerd, een fietsbel zie je
niet iedere dag op Savu, loopt de man
lachend naar de volgende boom, een nieuw
containertje over de schouder. Het spel
begint weer van voren af aan. Ik heb mijn
fotoserie gemaakt en vervolg mijn tocht.
Vanwege de hitte grijp ik iets te vaak
naar mijn bidons. Binnen een uur heb ik
twee liter tuak op. Ik moet mijzelf af en
toe tot de orde roepen. Ik heb al weken
geen druppel alcohol in mijn lijf
gekregen, zodat de uitwerking des te
sterker is. Wat me opvalt is dat ik
geneigd ben weer aan de rechterkant van
de weg te gaan rijden. Ik rijd al vier
maanden links zoals dat in Indonesië
gebruikelijk is. Er is ook helemaal geen
verkeer, dat mij kan corrigeren!
Ik heb vandaag toch nog 45 km. gefietst
voordat ik laat in de middag bij mijn
gastgezin terugkom. Mijn ontbijt heb ik
rond een uur of drie ergens op een heuvel
met prachtig uitzicht op het Savunese
landschap opgegeten. Het heeft mij best
gesmaakt maar als ik als diner hetzelfde
voorgeschoteld krijg heb ik enige weerzin
tegen de keiharde, gedroogde visjes. Ik
doe mij goed aan de gebakken eieren, de
soep en de witte rijst, die ook op tafel
staan. Zonder enig commentaar geuit te
hebben word mij beloofd de visjes morgen
iets langer te weken. Wat een lieve
mensen hier!
Dankzij mijn fiets kan ik gedurende de
volgende dagen prachtige tochten over
Savu maken. Op een dag rijd ik terug naar
het strand, waar ik met de motorboot aan
land gekomen ben. De weg er heen is
inderdaad erg slecht maar een fiets
blijkt hier een beter vervoermiddel te
zijn dan een open vrachtwagen.Het
strandje ligt er verlaten bij. Wel
markeer ik met een steen de plaats op het
strand, waar de "gelukkigen"
het zand hebben gekust. Wie weet wordt
dit, zoals vele andere stenen op Savu een
heilige steen.
Alhoewel de Savunezen voor het grootste
gedeelte protestanten zijn, hangen velen
nog de traditionele religie aan.
Duidelijk is dat te zien aan rituelen,
die verbonden zijn aan de landbouwcyclus.
Het kleine eiland Savu wordt zelfs
verdeeld in vijf religieuze districten.
Ze hebben alle hun eigen priesterlijke
hiërarchie en rituele cycli. Je weet
echter nooit wanneer er ergens een
ceremonie plaats vindt. Met die
informatie loopt de autochtoon niet te
koop. De invloed van een
"buitenstaander" kan slecht
uitpakken. Alhoewel ik dus weet van
unieke volkscultuuruitingen ben ik niet
altijd welkom. Dat merk ik, als ik zonder
het te weten, een koffiepauze inlas op
"heilige" grond.
Niet ver van Seba ligt in het heuvelland
een groot grasveld, bezaaid met enorme
stenen. Ovale, gladde rotsblokken van
twee meter doorsnee en een meter hoog.
Hoe die daar zijn gekomen is mij een
raadsel. In mijn onwetendheid zet ik mijn
fiets tegen een van de rotsblokken en
plaats mijn "comfoor", zoals in
Indonesië mijn benzine-kooktoestelletje
genoemd wordt, aan de voet van deze
steen. Het voorverwarmen geeft even het
beeld van een kampvuur maar al snel is de
vlam regelbaar. Hierop plaats ik mijn
kannetje om mijn koffiewater te koken.
Mijn "kampvuurvlammen" zijn
echter waargenomen vanuit een niet door
mij opgevallen huttendorp.Het ligt dan
ook verscholen onder een groepje bomen en
minstens 300 meter van mij vandaan. De
bevolking ervan is, zoals duidelijk
blijkt, zeer verbolgen want er ontstaat
een kleine oploop niet ver van mij
vandaan. Ik heb geen idee wat ik verkeerd
doe maar het geschreeuw en het zwaaien
met de armen lijkt mij geen
welkomstgroet.
Eén van de bewoners, een jongen van een
jaar of 18, maakt zich los van de groep,
steekt de kleine rivierbedding over die
het dorpje van dit stenenveld scheidt en
komt op mij af. Zwaaiend met zijn armen
staat hij te schreeuwen. Hij durft niet
dichterbij te komen dan zo'n 50 meter. Ik
heb nu echt het idee, dat er iets mis
is.Mijn water kookt inmiddels. Ik maak
snel mijn koffie, pak mijn
"komfoor" weer in en leg mijn
bagage en mijn fiets een tiental meters
van de ovale steen af. Het schreeuwen
neemt af maar zijn armen zijn nog niet
tot rust gekomen.Om het stenenveld is
nergens een afscheiding te zien. Ik neem
aan toch op openbaar terrein te zijn. Ik
drink mijn koffie op en verlaat na vijf
minuten het blijkbaar "heilige"
veld. Jammer genoeg heeft de jongen de
moed niet gehad om mij toe te spreken. Ik
had graag mijn verontschuldigingen
aangeboden als ik maar wist wat ik
verkeerd had gedaan.
Ik rijd terug naar Seba en vertel Arman
over mijn ervaringen. "Ach, Mister
Franky, ze stellen zich aan! Dat zijn
geen christenen! Dat zijn rare mensen,
die deze stenen, de "nada ae",
als altaren gebruiken. Bij sommige mensen
spelen deze megalieten nog een religieuze
rol. Trek het je maar niet aan. Er zijn
nog een paar "orang gilah" hier
op het eiland." Vrij vertaald
betekent dat "gekke mensen". Ik
ben gerustgesteld maar had graag geweten
wat dit "gekke" inhield. Dat
kan Arman mij niet uitleggen. Hij heeft
de traditionele cultuur jammer genoeg
vaarvel gezegd. In de jaren vijfig, lees
ik in mijn literatuur over dit eiland,
was nog maar 30 % christen. Arman en zijn
vrouw zijn duidelijk van later datum. Zij
zijn ondertussen beïnvloed door de
oprukkende kerk. Jammer is dat eigenlijk.
Ik had hem als goede informant over de
traditionele cultuur hier op zijn eiland
gezien. Hoe hij over traditie spreekt, is
geen voer voor cultureel antropologen.
Alhoewel ik daar zeker niet toe behoor,
stel ik wel interesse in de plaatselijke
cultuur. Ik zal dan ook iemand anders
moeten vinden, die mij de gewenste
informatie zal geven. Dat blijkt een
moeilijke opgave te zijn, die ik mijzelf
stel. De traditioneel denkende mens houdt
graag zijn ideeën voor zich en de
vrijelijk sprekende Savunees in een
protestant.
Een andere dag fiets ik richting Tandjung
Mesara, de zuidwestelijke punt van het
eilandje. Na wat minder vriendelijke
ervaringen met de plaatselijke
steenhakkers, waarvan ik hun van
lontarpalm gemaakte
"vergruishutje" gebruik om er
tijdens een flinke regenbui onder te
schuilen, kom ik in een klein dorpje aan
de kust. De naam ervan heb ik nergens
kunnen ontdekken en de autochtonen hebben
geweigerd het mij te zeggen. Een wat
vreemde situatie. Toch ben ik getuige van
een deel van een speciale ceremonie hier
op Savu. Het is de "Bui Ihi
Hole", een traditionele ceremonie
van het Mahara-volk hier op Savu. Men
beeldt er gelukwens en dankbaarheid
tegenover de schepper mee uit na de
oogst.
Tegenover de kerk ligt een volleybalveld,
kompleet met net. Een goede plaats om
mijn fiets te parkeren. Op slot zetten
doe ik hem niet. Dat is tegen de regels.
Men laat mij begaan.Ik stel mij op aan de
rand van een parcours, dat naast het
volleybalveld ligt. Op dit parcours rijdt
een twintigtal uitgedoste paarden rond.
Op hun ruggen zitten in vrouwenkleren
gestoken mannen. Een wat vreemd
schouwspel. Zonder bemoeienis van de
aanwezigen kan ik uitgebreid dit
"paardjerijden" fotograferen.
Alhoewel ik de aandacht van de omstanders
wegneem van het paraderen, alleen de
ouderen bekijken nog het schouwspel
terwijl de jeugd zich op het bestuderen
van mij toelegt, voel ik mij niet
opgelaten. De parade wordt begeleid door
een kleine groep muzikanten. Gongs en
trommels zorgen voor het auditieve
aspect. Het doet mij een beetje denken
aan een draaimolen op een kermis. Een
jockey heeft de leidsels in de hand en af
en toe rijdt er iemand anders een rondje
mee. Maar dan alleen als je als man in
vrouwenkleren bent gestoken. Is hier
sprake van openbare travestie of moet het
meer gezien worden in de context van de
vrouw als vruchtbaarheidssymbool? Ik neem
aan dat het laatste bedoeld wordt.
Na een uur is er weinig veranderd in de
situatie. Ik vervolg dan ook mijn weg. Ik
moet wel door enkele rivieren waden wil
ik tot aan Tandjung Mesara rijden. Ik ben
het ondertussen al gewend.
Een tiental kilometers verder heb ik
behoefte aan een pauze. Vanaf mijn
stopplaats heb ik een magnifiek uitzicht
over de Straat Raijua, de waterscheiding
tussen Savu en het eilandje Raijua. Ver
in zee zie ik het eilandje liggen. Dit
Raijua wordt als bron beschouwd van
Savu's traditionele religie. Dit houdt in
dat alle gebruiken rond bovennatuurlijke
zaken afkomstig zijn van dit kleine
eiland. Een heiligdom op zich!
Op de top van de heuvel maak ik koffie en
geniet van dit bijzonder mooie uitzicht.
Aan de voet van de heuvel ligt een klein
dorp. Ik neem aan dat het Lobohede is,
maar zeker ben ik er niet van. Ik zal er
nooit komen. Toch word ik uitgenodigd om
er een kijkje te nemen.
Tijdens mijn pauze komen drie mannen het
pad aflopen. Al vanaf ver zie ik er een
met zijn armen zwaaien. De betekenis
hiervan doet mij sterk denken aan mijn
ervaringen bij de "nada ae", de
rituele altaren, die dus niet positief in
mijn gedachte gegrift zijn. Dan staan de
drie mannen voor mij. Een komt op mij af
en omarmt mij.Ik schrik maar het is goed
bedoeld. Ik heb te laat in de gaten, dat
deze man de eigenaar is van een eetstal
in Kupang. In deze eetstal heb ik wel
tien maal mijn avondeten gehad tijdens
mijn verblijf in Kupang. Ik heb daar elke
keer met hem en zijn mooie vrouw mijn
Bahasa Indonesia kunnen oefenen. We
hebben veel plezier gehad met zijn
drieën. Zoveel dat de gasten zich wel
eens licht geergerd hebben omdat hun eten
niet op tijd voor hun neus stond. Dan
herinner ik mij plotseling dat hij mij
verteld heeft dat hij van origine van
Savu komt. Zijn mooie vrouw is Rotinese.
Samen zijn ze een eetstal begonnen in
Kupang op Timor. Vandaar de naam van hun
eetstal: "Tirosa", Timor, Roti
en Savu. Wat een kleine wereld!
Hij nodigt mij uit met zijn kornuiten
naar Lobohede te gaan voor een gezellig
gesprek. Ik zou dat graag doen maar ik
moet voor het donker in Seba terug zijn.
De familie Agadri zal zich wel afvragen
waar ik blijf. Het is al rond drie uur en
ik ben een kleine 20 km. van mijn
onderdak verwijderd. Wetende van de
oversteek door de rivier en het moeten
passeren van de "Bui Ihi
Hole"-ceremonie moet ik helaas deze
uitnodiging afslaan. Ik heb de resterende
tijd wel nodig op thuis te komen.
Na het doorwaden van de rivier moet ik
door het dorpje van de festiviteiten
heen. Deels is het nog aan de gang, deels
zie ik ruiters richting Seba gaan. Daar
moet ik ook heen. Ik word kilometers lang
begeleid door deze aanstellerige,
opgeschoten menners. Erg vriendelijk zijn
zij niet. Ze halen me in en laten me weer
voorbij. Misschien zijn ze een beetje
beledigd door mijn aanwezigheid en het
weghalen van de aandacht tijdens het
rondjes rijden op het parcours. Ik krijg
maar geen hoogte van de traditionele
Savunees. Of moet ik deze knapen zien als
ingehuurd voor een traditionele uiting,
terwijl zij liever rondscheuren op een
Yamaha of Honda motorfiets? Ik laat ze
rustig hun gang gaan om me een beetje
plagen. Met een lach nemen we
uiteindelijk bij een T-splitsing afscheid
van elkaar. Het is op het randje van
donker worden als ik Seba inrijd en mij
weer meld bij mijn familie. Het eten
staat al op tafel. Ik kan direct
aanschuiven.
Tijdens mijn diner vraagt Arman of hij
even naast mij mag zitten. Ik bespeur in
hem wat onrust en stem dus toe. Hij
begint over de vergoeding, die ik per dag
aan hem moet betalen. Om de dag betaal ik
hem datgene wat hem toekomt. Morgen is
het weer betaaldag maar misschien wil hij
eerder zijn geld hebben om het eten te
kunnen betalen? Ik zit er met mijn
gedachten, zoals vaak hier in Indonesië,
weer helemaal naast. Ik betaal hem
eigenlijk te veel, zo legt Arman mij uit.
Daar ben ik even stil van. Hoezo te veel?
Ik overstelp hem met dank voor mijn
onderdak en voor mijn maaltijden. Dat is
het hem juist, de maaltijden.
"Mister Franky, u betaalt 10.000
Rupiah per dag voor "indekos"
maar u eet alleen maar in de ochtend en
in de avond hier. Uw lunch, waarvoor u
betaald heeft, gebruikt u helemaal niet.
U bent elke dag op pad. We zitten daar
een beetje mee. We stellen u voor om 2000
Rupiah per dag van de rekening af te
trekken." Wat moet ik hier nu mee?
Ze overstelpen me met luxe volgens de
plaatselijke regels en maken zich
ondertussen zorgen dat ik ze te veel
betaal. Toch duidelijk anders dan in
Nederland de gewoonte is.
Ik stel Arman gerust. Ik ben hem en zijn
familie eigenlijk veel méér schuldig.
De fantastische opvang na mijn angstige
ferrytocht, het elke dag klaarleggen van
vers fruit, het aanvullen van koffie,
thee en suiker en het opdienen van
uitstekend eten, ondanks de tekorten op
de plaatselijke markt. Hoe kan je iemand
zoals Arman daarvan overtuigen? Een
praktisch ondoenlijke zaak.
Het kost me dan ook veel moeite na mijn
week hier op Savu, gevuld met zeer
interessante ervaringen, zeker dankzij de
familie Algadri, hen een paar extra
biljetten van 10.000Rupiah bovenop de
rekening te overhandigen. Dat mag
helemaal niet!
De familie begeleidt mij tot aan de pier,
waar vandaag de ferry vertrekt richting
Kupang. De zee is weer kalm en ik
verwacht een goede vaart. Totdat het
schip vertrekt probeert Arman mij te
overtuigen van het feit, dat er sommige
Savunezen dan wel "gilah", gek
zijn, maar dat Mister Franky nu wel de
kroon spant. Ik laat het er bij. Ik voel
me uitstekend na Savu!©1995 Frank van den
Berge
|
|
Location : People : Geography : Map : News
|
|
|